bongerd groote veen
Bongerd Groote Veen
Boomsoort: Perenboom.
Originele naam:
Fondante de Charneu
Synoniemen:
  • Charneux.
  • Köstliche von Charneu.
  • Légipont.
  • Leopold (Gelderland).
  • Leopoldspeer.
  • Duc de Brabant.
  • Waterloo.
  • Fondante.
  • Merveille de Charneux.
  • Bürgermeisterbirne.(Hamburg).
  • Honing van Waterloo.
  • Burgemeesterspeer.
  • Fondante des Carmes.
  • Desirée van Mons.
Herkomst:
Deze soort werd omstreeks 1800 door Martin-Joseph Légipont ( 5 april 1778 - 26 augustus 1862) uit het plaatsje Larbuisson bij Charneu in de provincie Luik (België) rond 1800 gevonden, als een spontane zaailing in een vergeten hoek, en naar zijn eigen tuin overgebracht. Men moest tot 1825 wachten op een degelijke beschrijving, die dan door Dr. Diel uit Stuttgart werd verschaft. Intussen is er een Babilonische spraakverwarring rond deze soort ontstaan en zo verkreeg men wel meer dan 35 synoniemen.
Vrucht:
Fondante de Charneu doorsnedeFondante de Charneu vrucht
plukrijp: vanaf midden september tot begin oktober.
consumptierijp: oktober tot einde november.
afmetingen: middelgroot tot groot, 60 - 70 mm. Breed, 85 - 110 mm. Hoog, gewicht 120 - 190 gr., gemiddeld 150 gr., SG 0,991, Vorm variërend peervormig, kerkwaarts breed afgestompt, steelwaarts kegelvormig, scheef ingetrokken; vruchtzijden asymmetrisch, bultig, kantig.
kelkholte: vlak, nauw tot middel wijd met deuken, hobbels en rimpels, netvormig beroest.
kelk: middel groot, open, blaadjes vrij lang, spits, rechtop, gedraaid, omgekruld, dikwijls als een kroon gestreept, gestippeld, houtachtig, gedeeltelijk als een knop bij de vrucht verdikt. Glad, droog, dof, dun, middelvast, niet erg storend.
steelholte: nauw, vlak, dikwijls afwezig, ook wel met vleesgezwel, in dat geval steel zijdelings gedrukt.
steel: 20 - 40 mm. Lang, 2 - 3 mm. Dik, groenbruin.
schil: gladde schil.
grondkleur: troebel - geelgroen, rijp troebelgeel.
dekkleur: troebeloranje, flets, gestreept. Typisch talrijke middelgrote, bruine stippels, in grondkleur groen, in dekkleur roodachtig omrand, weinig beroesting.
vruchtvlees: geelachtig wit, wit, zacht, boterzacht, smeltend, sappig, krachtig zoet, zacht fris zuurachtig, licht gekruid met een vleugje van een onbepaalde aroma, smaakvol op warmere standplaatsen, op koude standplaats halfsmeltend. Vaak wat grof en stenig. De zoete smaak is soms minder te danken aan suikerrijkdom (8 à 10%) dan wel aan een gering zuurgehalte (0.3%). De kwaliteit van de suiker is van de edelste en zuiverste en bestaat bijna uitsluitend uit frissmakende levulose.
klokhuis: vrij groot, gelegen in het midden van de vrucht. Hokken goed en regelmatig ontwikkeld, bijna alle met zaden bezet.
Gevoelig voor:
  • Vruchtrot.
  • Koper bespuiting.
  • Steencellenvorming.
Voor virussen:
  • Pear Ring Decline. Chlorotische bladvlekkenziekte. (kringvlekken- Mozaïekziekte).
  • Pear Bark.
  • Split. (barksplit.)
  • Erwina amylovora. peren- of bacterievuur. (meldingsplicht!)
Oogst:
Afhankelijk van standplaats en weersomstandigheden vanaf midden september, einde september, begin oktober, normaal windvast tot boomrijpheid, daarna vruchtval, sommige jaren vroeger, vruchten hangen enkel, door de groene kleur en de hoge bomen moeilijk te plukken, takken breken snel, boomrijp goed, volrijp niet transporteerbaar.
Bewaren:
In natuurlijke opslag 4 - 5 weken, vrij opgeslagen tot inval van vorst, één van de weinige herfstperen die als ze consumptierijp zijn, niet vlug beurs worden, tijdens opslag voortdurend controleren, goed voor koelhuisopslag, direct na de oogst, bij –1 0ºC. en een relatieve luchtvochtigheid van 88% - 90% 5 tot 6 maanden, narijpen bij +18 0ºC.
Gebruik:
Waardevolle handelswaarde, tafelpeer voor vers gebruik, industrieel en huishoudelijk voor conserven op sap, drogen en sap. De peer is bij hardrijpheid ook als stoofpeer te gebruiken.
Boom:
Groeit sterk, hoofdstam zeer sterk, recht, steilopwaarts, bepalend voor de groeikracht. Gesteltakken ondergeschikt, in het begin opstaand, later horizontaal, in bogen hangend, matig vertakt. Vruchthout kort, sporen en stekeltwijgen. Vorm van de kruin typisch smalle piramide, als spar of piramide boom. Voor haagvorm ongeschikt.
Fondante de Charneu boom
Bloei:
Middelmatig lang, matig vorstgevoelig, bloesem aan het korthout, matige neiging tot parthenocarpie, stuifmeel goed.
Fondante de Charneu bloei
Groei:
Fondante de Charneu groeigrafiek
N.B. de geplaatste grafiek heeft betrekking op Bongerd Groote Veen,
groei van bomen is sterk afhankelijk van plaatselijke omstandigheden!
Gelijke bloeiers:
  • Marguerite Marillat.
  • Dr. Jules Guyot.
  • Williams Bon Chrétien.
  • Williams Duchesse.
  • Beurré de Mérode.
  • Pitmaston Duchesse.
Fondante de Charneu peren
Geeft stuifmeel aan:
  • Beurré Hardy.
  • Clapp’s Favoriete.
  • Williams
  • Bon Chrétien.
  • Soldat Laboureur.
  • Conference.
Bevruchters:
  • Bonne Louise d'Avranches.
  • Comtesse de Paris.
  • Nouveau Poiteau.
  • Précose de Trévoux.
  • Triomph de Vienne.
  • Zwijndrechtsche Wijnpeer.
  • Beurré Clairgeau.
  • Calabasse Bosc.
Opbrengst:
Middelmatig laat tot laat, niet voor het 8e jaar, later hoog, regelmatig.
Fondante de Charneu peer
Boomvorm:
Op zaailing geschikt voor alle boomvormen.
Onderstam:
Op Kwee A alleen met tussenstam.
Weerstandsvermogen:
Weinig tegen hout-, matig tegen bloeivorst, plaatselijk vatbaar voor schurft. Vatbaar voor fruitspintmot en perenringworm.
Standplaats:
Brede aanplant mogelijkheid, van kustgebied tot aan middelhoog gelegen streken, op vrij warme, voedzame voldoende vochtige grond, voor vrije, niet voor vorst- en schurft bevorderende plaatsen.
Teeltwaarde:
Als waardevolle handelsvrucht wijd verspreid in Midden-Europa, voor eigen gebruik en industriële productie is de teelt niet zo interessant door de sterke groei en de late opbrengst, voor fruittelers nog steeds belangrijk.
Gelijkende vruchten:
  • Louise Bonne d' Avranches.
Snoeien:
Van de perenbomen heeft de Fondante de Charneu (Légipont) in zeer sterke mate de eigenschap een harttak te gaan vormen. Bovendien wil deze boom na het planten zeer moeilijk tot groei komen. Is deze variëteit eenmaal zover dat hij groeit, dan zal men goed doen, de harttak enkele jaren te laten groeien, hem dan geleidelijk te onderdrukken, zodat hij na ongeveer 6 jaren geheel is verdwenen. Hierdoor wordt de groei van de gesteltakken bevorderd. De boom heeft zijn karaktervolle vorm, zie bovenstaande afbeelding, dan wel verloren. De zijtakken worden in de jeugdjaren voor een deel ingesnoeid om vertakkingen te genereren. Na de jeugdfase worden de hangende takken teruggesnoeid op jonger schuinstaand hout. Waterloten zo vlak mogelijk afsnoeien.
Oorzaak van verdwijnen:
Plantadvies:
Aan te raden, mits voldoende rekening wordt gehouden met specifieke eisen betreffende standplaats, grondsoort en verzorging.
Diversen:
Komt voor op de rassenlijst voor peren in Drenthe.
Brongegevens:
  • Perensoorten, Herbert Petzold.
  • Peren voor Miljoenen. Herman Vandommele.
  • Hoogstamvruchtbomen.
  • Zesde beschrijvende rassenlijst voor fruit, 1948. blz.: 55/51.
  • Onze appels en peren, H. de Greeff, 1905.
  • Oude Fruitrassen in Noord-Nederland. J.Veel & J.Woltema.
Fondante de Charneu blad
03.09.2009