bongerd groote veen
Bongerd Groote Veen
Boomsoort: Perenboom.
Originele naam:
Doyenné de Mérode
Synoniemen:
  • Beurré de Mérode. (beschrijving der vruchtsoorten, eerste reeks no.:22)
  • Doyenné Boussock. (Hogg, the Fruit Maual. Catalogue of the Fruits, blz.198)
  • Philippe Double. (Decaisne, Tome 1)
  • Dubbele Flip.
  • Doppelte Phillipsbirne. (Handbuch 1, blz.435. Baltet, Auswahl blz.26, no.:14)
  • Doppelt Philip.
  • Mérodespäron.
  • Filip.
Herkomst:
België, ongeveer 1800. Waarschijnlijk door Prof. Jean Baptiste Van Mons (1765 te Brussel - 1842 te Leuven) gewonnen. De vrucht is genoemd (in 1819 door Van Mons) naar graaf Mérode de Westerloo die bekend is geworden in de slag bij Waterloo. Doyenné de Mérode kwam in Limburg, Zeeland en in de Betuwe veel voor en werd in de rassenlijst voor fruitgewassen van 1936 speciaal voor regenarme gebieden aanbevolen. Een groot gedeelte van de oogst werd naar Duitsland en Engeland geëxporteerd.
Vrucht:
Doyenné de Mérode peren
plukrijp: begin tot half september.
consumptierijp: eind september begin oktober. De peer wordt vaak te laat geplukt, beter is regelmatig vruchten te plukken die nog net niet rijp zijn en deze enige tijd te bewaren, echter te vroeg plukken krijgt men smaak verlies.
afmetingen: middel groot tot groot, 60-85mm breed, 65-85mm hoog, gewicht 120-180 gram, s.g. 1,00, De vorm heeft niet de karakteristieke langgerekte peervorm maar is kort en vrij stomp van vorm met een korte steel. De vorm varierend, meestal breedstompkegelvormig, gedrongen, bijna rond, dikbuikig, kelkbuikig, kelkwaarts afgeplat rond, steelwaarts kegelvormig,smaller, iets ingetrokken; vruchtzijden effen, iets bultig.
kelkholte: vlak, wijd, iets gerimpeld, ook wel met bolletjes.
kelk: middel groot, open; blaadjes dikwijls roodachtig, hoornachtig, rechtopstaand.
steelholte: varierend, nauw, vlak, of iets dieper met of zonder flauwe zwellingen, dikwijls met straalvormige roest.
steel: 20-40mm lang, 3.5-5.5mm dik, bruin, houtachtig of vlezig, aan het uit einde verdikt. In het vlees wegezonken en iets scheef gepllatst. Veel roest rondom de steel.
schil: glad en voelt wat ruw aan, droog, ook mat tot fluweelachtig, stevig, dik. Consumptie met schil kan, maar is lekkerder geschild.
grondkleur: groen, rijp geel.
dekkleur: indien aanwezig oranje, helder rood, flets, ook gevlekt; stippels op de schil zijn klein en lichtbruin van kleur en talrijk. Beroesting normaal tot veel , bij de kelkholte en steel vlekkerig.
vruchtvlees: geelachtig wit, middelmatig fijncellig, rond het klokhuis fijnkorrelig, smeltend of bijna smeltend, zeer sappig, zoet, ietsje zurig, iets gekruid, herfstpeer van middelmatige kwaliteit en smaak.
klokhuis: vrij groot, langwerpig, hokken meest onregelmatig en bezet met kleine zwarte zaden.
Gevoelig voor:
Doyenné de Mérode is niet bijzonder vatbaar voor ziekten. Vooral op natte gronden is de Doyenné de Mérode echter wel vatbaar voor schurft. Weinig voor schurft op de drogere gronden, consumptierijp gevoelig voor drukplekken, vlug beurs.
Oogst:
Tot boomrijp hangen de vruchten windvast. Tijdstip van plukken is afhankelijk van standplaats begin september tot midden september, plukprestatie hoog, boomrijp goed transporteerbaar. Heeft neiging in beurtjaren te vervallen.
Het tijdstip van plukken moet zorgvuldig gekozen worden. De beste methode is om regelmatig die vruchten te plukken die bijna rijp zijn en deze enige tijd in natuurlijke opslag na te laten rijpen. Plukt men te vroeg dan komen de vruchten niet op smaak, plukt men te laat dan zijn de vruchten al snel smaakloos, meelderig en beurs.
Bewaren:
Vrij goed te koelen, maar daarna vrij snel beurs, wat door het vele roest bij dit ras niet snel zichtbaar is. Bij koele natuurlijke opslag 14 dagen, in hogere gelegen gebieden tot 3 weken bij open opslag; voor koelopslag geschikt bij +2 ºC. 1 tot 2 maanden. Na het koelen snel verhandelen.
Doyenné de Mérode peer
Gebruik:
Tafelpeer voor vers gebruik, industrieel en huishoudelijk goed voor glas/conserven op sap, hardrijp voor sap. Matige kwaliteit. Werd vroeger niet tot de fijnere tafelperen gerekend, maar werd toch redelijk gewaardeerd. De peer is ook als stoofpeer te gebruiken bij hardrijpheid.
Boom:
Groeit middel sterk tot sterk. Boom is mooi van vorm. Gesteltakken schuin- en rechtopstaand, later door vruchtlast horizontaal hangend; goed vertakt. Vruchthout: vruchttwijgen, stekeltwijgen, sporen en vruchtbeurzen. Kruinvorm breedpiramidaal, na vormsnoei controle snoei toepassen, verjonging slechts later nodig; bomen worden zeer oud. Vormt op latere leeftijd een grote boom.
Bloei:
Bloeit vroeg tot middentijds. Langdurig, weinig vorst- en weersgevoelig. Bloesem aan twijgen, sporen en stekeltwijgen.
Doyenné de Mérode bloei
Gelijke bloeiers:
  • Bonne Louise d`Avranches.
  • Emile d`Heyst.
  • Williams Bon Chrétien.
Bestuiving:
Bloeit vroeg tot middentijds.
Levert in Nederland slecht stuifmeel (vermoedelijk triploïd).
Enigszins zelfbestuivend, doet het beter met kruisbestuiving.
Bevruchters:
  • Beurré Hardy.
  • Beurré Clairgeau
  • Bonne Louise d`Avranches
  • Clapp`s Favourite.
  • Colorée de Juillet.
  • Conference.
  • Emile d` Heyst.
  • Fondante de Charneu.
  • Magness.
  • Williams Bon Chretien.
Doyenné de Mérode vrucht
Boomvorm:
Grote boom met veel slap afhangend hout. De eenjarige takken zijn sterk, lichtbruin en met grote stippen. Hoogstam, halfstam, kwartstam en struik. Voldoet als leiboom in ons klimaat erg goed. Draagt tamelijk vroeg.
Onderstam:
Op Kwee A of met tussenstam. Direct op Kwee blijft het een kleine boom. Is op kwee met tussenstam ook geschikt voor struikvorm.
Weerstandsvermogen:
Doyenné de Mérode is niet bijzonder vatbaar voor ziekten. Vooral op natte gronden is het ras wel vatbaar voor schurft. Hout en bloesem tegen vorst voldoende tot goed. Gevoelig voor koperbespuitingen.
Standplaats:
Brede aanplantmogelijkheden, niet veeleisend, tot in hoger gelegen gebieden, ook geschikt als beplanting langs wegen en in grasland, naast zware, ook geschikt voor de lichtere gronden met toegift van voedingsstoffen en water.
Teeltwaarde:
Vroeger wegens vaste, jaarlijkse hoge opbrengst wijd verspreide lekkere september peer voor directe consumptie en conserven; voor eigen gebruik op warme plaatsen minder waardevol; wel van betekenis voor de grensgebieden van pereteelt als robuuste soort i.v.m. vorstbestendigheid, grote weerstand tegen schurft, en een vast hoge opbrengst..
Gelijkende vruchten:
  • Dr. Lucius.
  • Beurré Diel.
  • Beurré Alexandre Lucas.
  • Beurré Blanc d` Automne.
Snoeien:
De boom moet gedund worden, met het doel beter ontwikkelde vruchten en het voorkomen van beurtjaren.
Oorzaak van verdwijnen:
Doyenné de Mérode kwam in Limburg, Zeeland en in de Betuwe veel voor en werd in de rassenlijst voor Fruitgewassen in 1936 speciaal voor regenarme streken aanbevolen. Een groot gedeelte van de opbrengst van dit ras werd geexporteerd naar Duitsland en Engeland.
Dit ras voldeed vooral als hoogstam erg goed en de belangstelling ervoor is met het verdwijnen van dit boomtype minder geworden. Daarbij heeft de matige kwaliteit en de gelijktijdige rijping met andere perenrassen dit ras uiteindelijk geheel van het toneel doen verdwijnen.
Plantadvies:
Aan te raden, mits voldoende rekening wordt gehouden met de standplaats, grondsoort en verzorging.
Diversen:
Brongegevens:
  • Perensoorten, Herbert Petzold, blz.130.
  • 6e rassenlijst voor fruit, 1948.
  • De Nederlandsche Boomgaard, deel 2.
  • Onze appels en peren, door H.de Greeff, 1905.
  • Het leerboek der fruitteelt, 1948.
  • Verdwenen appel- en perenrassen, blz. 60.
  • Nederlandse Fruitsoorten, 1942.
  • Oude Fruitrassen in Noord-Nederland. J.Veel & J.Woltema.
Doyenné de Mérode blad
28.02.2010