bongerd groote veen
Bongerd Groote Veen
Boomsoort: Appelboom.
Originele naam:
Ribston Pippin
Synoniemen:
  • Glory of York.
  • Formosa Pippin.
  • Ribston Pepping.
  • Englische Granatreinette.
  • Travers Reinette.
  • Ribston Pippeling.
  • Court Pendu Royale.
  • Gouden Rabouw.
  • Lederapfel.
  • Essex Pippin.
  • Goldmohr.
Wereldwijd zijn er 63 synoniemen of vormen van de naam bekend.
Herkomst:
Engeland. Hij is in 1687 of 1688 in de tuinen van Ribston Hall bij Knaresborough (Yorkshire) gevonden door Sir Henry Goodricke als zaailing uit zaad van een onbekende Franse appel die uit de streek Rouaan afkomstig was. De moederboom is anderhalve eeuw oud geworden. Ze woei in 1810 om en werd toen met palen overeind gehouden. In 1835 begaf ze het, maar een jonge aflegger van de boom, die wortel had geschoten groeide uit tot een nieuwe boom, die op haar beurt in 1928 omwoei. Waarschijnlijk heeft een zaadje van de Ribston Pippin, bestoven door de Blenheim Reinette, in 1830 de Cox`s d`Orange Pippin geleverd. Volgens velen de lekkerste appel die er is.
Vrucht:
Ribston Pippin appel Ribston Pippin vrucht
Ribston Pippin doorsnede
plukrijp: midden tot eind september.
consumptierijp: midden november tot eind februari. Later verliest hij zijn aangename zuur. Er is verschil van mening over de juiste rijptijd, sommige geven de voorkeur aan november wanneer de appel knappend, sappig en friszuur is, maar minder "nootachtig" en "kruidig", anderen geven de voorkeur aan december / januari, wanneer het aroma zich het rijkst heeft ontvouwd. De appel is dan wel wat droger geworden.
afmetingen: middelgroot ook groot. 55-70 mm breed, 55-60 mm hoog, gewicht: 95-150 gram. rond tot hoogrondvormig; zijden regelmatig, ook met vlakke, brede kanten tot aan het midden van de vrucht. breder dan hoog.
kelkholte: middelwijd, middeldiep met rimpels en zwakke gezwellen, meestal met een straalvormig uitlopende roestkap.
kelk: klein, gesloten of iets geopend; blaadjes aan de basis nauwelijks gescheiden; middelbreed, middellang en net als bij de Cox`s spits eindigend.
steelholte: wijd, diep, iets bultig, dikwijls met vleesgezwellen, bruin straalvormig beroest.
steel: vrij kort en steekt niet boven de appel uit. Tamelijk dun, in een vrij diepe holte weggezonken. Bruin, houtachtig, middelsterk, 10 - 20 mm. lang.
schil: glad, lichtgroen, soms met bruine roeststrepen of vlekken en aan de zonzijde met mooie karmijnrode of donkerrode strepen en vlammen bezet. Tegen het rijpen wordt de schil prachtig geel met bruinrood. Vooral om de kelk is de vrucht met roestachtige strepen en vlammen bezet. Droog tot fluweelachtig ruw, middelvast. Soms komen er wat bruinige, droge plekken onder de schil voor.
grondkleur: troebel-geelgroen tot troebelgeel.
dekkleur: bruinachtigrood tot troebelrood gestreept, gestippeld, verschoten, met roestpatronen en roestaderen.
vruchtvlees: geelachtig wit, knappend, middelvast, later mals, sappig, harmonisch zoet -wijnachtig met fijn mild vruchtzuur, nobel aroma, gelijkend op Cox` Orange. De geur is karakteristiek rozemarijnachtig.
klokhuis: klein, langwerpig, kleine spits toelopende hokken, matig tot goed met zaden bezet. De bruine zaden zijn middel groot, lang en spits.
Gevoelig voor:
Stip, rimpelig worden van de vruchten, fruitmotje, sterke vruchtval in juni. Soms wat kankerachtig, vooral op natte gronden.
Oogst:
Vruchten hangen apart, niet windvast, oogsttijdstip plaatselijk vaststellen, daar bij te vroeg plukken de vruchten rimpelig worden; te laat dan hoge vruchtval, niet drukgevoelig, goed transporteerbaar, machinaal sorteerbaar.
Bewaren:
In natuurlijke opslag goed tot februari, controleren op rimpelig worden; te lange opslag maakt de vruchten melig; goed in koelopslag bij +0,5ºC tot 6 à 7 maanden.
Gebruik:
Tafelappel voor vers gebruik; huishoudelijk voor alle verwerkingen. Geschikt voor cider.
Boom:
Groeit krachtig tot middelsterk. Gesteltakken schuinopwaarts, later gebogen, dicht bezet met zijhout, dat vlug hangt en waaraan zich gewillig vruchthout met korte vruchttwijgen, stekeltwijgen, vruchtsporen en beurzen ontwikkelen; vrucht bot typisch wit-viltachtig zoals bij Margil en Lane`s Prince Albert. Kruin groot, breedbolvormig, na de opbouwsnoei voortdurende controlesnoei, uitlichten en ook vruchthoutvernieuwing, hoewel de sterke houtgroei lang aanhoudt; geschikt voor haagvorm ook bij vrij strenge snoei. Een bijzondere kenmerk van de boom is, dat aan de zomertakken en dan vooral aan de toppen, schuitvormige toegeknepen bladeren heeft, die erg wollig aan de onderkant zijn.
Bloei:
Langdurend, weinig vorstgevoelig; bloei zit lateraal aan eenjarige twijgen, eindstandig aan het korthout van de tweejarige langloten; rijkbloeiend.
Ribston Pippin
Opbrengst:
Zet vroeg in, door vruchtval middelhoog, meestal jaarlijks, later na hoge opbrengsten ook afwisselend.
Gelijke bloeiers:
Bevruchters:
  • Triploïde. (slechte leverancier van stuifmeel)
  • Englisch Winter Goldpearmain.
  • Neuer Berner Rosenapfel.
  • Cox`s Orange.
  • Transparente de Croncels.
Boomvorm:
Kruin groot en breedbolvormig. Zie de foto van een oude Ribston Pepping uit Oost-Pruisen die gemaakt is door de heer Forstmeister Wohlfromm uit Kukowen bij Marggrabowa.
Groei:
Ribston Pippin
N.B. de geplaatste grafiek heeft betrekking op Bongerd Groote Veen,
groei van bomen is sterk afhankelijk van plaatselijke omstandigheden!
Onderstam:
Voor alle stamlengten mogelijk. hoogstam met tussenstam Jakob Fischer of Keuleman. Ook geschikt voor struikvorm.
Weerstandsvermogen:
Hout en bloei niet bijzonder vorstgevoelig; vatbaar voor meeldauw, bloedluis; op natte bodem erg vatbaar voor kanker.
Standplaats:
Breed aanplantgebied op goed met voedingsstoffen en bodemwater verzorgde lichtere, middel en zware, maar wel doorlatende, open gronden; vanaf de kust tot middel hooggelegen gebieden, niet op winderige plaatsen, beschutte te verkiezen.
Teeltwaarde:
Niet voor industriële productie in verband met gevoelig oogsttijdstip en vruchtval.
Gelijkende vruchten:
Cox`s Orange, maar is groter en fraaier.
Snoeien:
Oorzaak van verdwijnen:
Plantadvies:
In het algemeen aan te raden, mits men rekening houdt met de standplaats, grondsoort en verzorging die deze boom nodig heeft.
Diversen:
Deze oude Engelse appel is de moeder van de Cox`s Orange Pippin. De Ribston Pippin heeft met zijn 31 mg. het hoogste vitamine C gehalte van alle appels.
Brongegevens:
  • Appelsoorten, Herbert Petzhold,blz.158.
  • Onze appels en peren, H. de Greeff,1901
  • Deutschland`s Obstsorten. 1e Lieferung, 1909.
  • Nederlandse Fruitsoorten (1942).
  • De Nederlansche Boomgaard. (1868)
  • Pomospost, uitgave NPV, kerst 2000, blz.10.
Ribston Pippin blad
05.09.2009